Ik was acht jaar oud toen ik werd ontvoerd door een bende van slavenhandelaren, in Soedan waar ik ben geboren. Ze hebben mijn echte naam van me afgenomen. De ontvoerders noemden mij Bakhita. Dat betekent geluksvogeltje. Ze dachten zeker aan hun eigen geluk, want zij verdienden geld door mij door te verkopen als slavin. Maar ik voelde me eerder een bang vogeltje. Mijn familie zag ik nooit meer terug.
Ik werd meegenomen naar de stad. Op de markt liepen mannen om me heen en keken naar mij, met mijn handen en voeten geboeid en in ketenen. Alsof ik een koe was! Toen betaalde een man geld aan de bendeleden. Wat ik zelf wilde, vroeg niemand. Later werd ik doorverkocht aan een Turkse generaal. Die Turkse meester en zijn vrouw waren afschuwelijk. Iedere dag was er wel iets dat ik niet goed gedaan had, en dan kreeg ik slaag. En ook als ik niets verkeerd had gedaan kreeg ik nog slaag.
Het ergste was de keer dat ze mij brandmerkten. Mevrouw stond erbij met een zweep voor als ik probeerde weg te lopen. Heb je weleens gezien dat schapen een kleur op hun vacht gespoten hebben? Zo weet de schapenhouder welke schapen van hem zijn. Op die manier werd ik ook getekend: niet met verf maar met snijwonden in mijn huid. In mijn buik, in mijn borsten en mijn arm sneden ze. Daarna strooiden ze zout in de snijwonden zodat de littekens zichtbaar zouden blijven als de wonden dichtgroeiden, voor altijd. Zo maakten ze van mij hun eigendom.
Ze hebben me trouwens toch weer verkocht. Ik kwam bij een Italiaanse ambtenaar in Soedan. Twee jaar later wilde ook hij me kwijt. Ik smeekte hem om mij niet nog een keer door te verkopen en mij mee te nemen naar Italië. We reisden per kameel en per schip van Soedan naar Italië. En daar gaf hij mij cadeau aan zijn vrienden de Michieli’s. Het was hard werken in hun villa, maar ik was er graag want ze waren goed voor mij. Toen zij een dochtertje kregen, werd ik haar kindermeisje. Ik vraag me af hoe het met Mimmina is gegaan. Meester Michieli wilde terug naar Soedan. Na een paar jaar kon mevrouw haar man achterna reizen. Mimmina bracht ze naar een kloosterschool en ik was haar bagage. Achttien jaar oud was ik.
Daar in het klooster veranderde mijn leven. De zusters vertelden me dat God houdt van alle mensen. Dus ook van mij, een zwarte vrouw die voor niemand telde? Gek, maar het was alsof het geloof altijd al in me had gezeten. Het was alleen verborgen geweest omdat ik niet wist van de kerk en de gebeden en de Bijbel.
Op een dag kwam mevrouw haar dochter en mij ophalen. Toen ben ik opgestaan, voor het eerst in mijn leven. Ik heb geweigerd om het klooster te verlaten. Woest is mevrouw naar de rechter gegaan om mij terug te krijgen. En raad eens: volgens de rechter was ik nooit een slavin geweest, want slavernij was in Soedan afgeschaft. Alsof het ooit legaal kan zijn dat de ene mens een andere als slaaf bezit.
Ik ben in het klooster gebleven. Toen ik oud was kwamen de dromen weer terug: hoe ik was geslagen, hoe de kettingen hadden gekneld om mijn enkels. Dat raak je niet meer kwijt, net als die littekens.
Ik hoop dat vandaag mensen in slavernij kracht vinden in mijn verhaal. Dacht jij dat slavernij niet meer bestaat? Er zijn nog steeds meisjes die ontvoerd worden en tegen hun zin met mannen mee moeten. Er zijn landarbeiders die afgebeuld worden door hun landeigenaar. Er zijn mensen die werken in kledingfabrieken en niet vrij zijn om weg te gaan. Dat zijn de moderne slaafgemaakten.
Daarom heeft God mij zo sterk gemaakt dat ik durfde opstaan voor mijn vrijheid. Niet om mezelf, maar omdat God wilde dat ik vrij zou zijn. Omdat God alle mensen vrij wil maken.