De rijkdom van armoede – Franciscus

Franciscus is ziek en ligt op bed. Het ziet er niet goed uit en hij maakt zich zorgen. Over zijn leven: zijn al zijn inspanningen wel ergens goed voor geweest? En wat als hij er niet meer is? Hoe moet het dan verder met de broeders? Misschien is hij dan wel snel vergeten.

Midden in dat diepe dal vol twijfels valt er een lichtstraal op zijn bed. En ineens weet hij: het maakt niet uit, zijn leven is goed zoals het is. En hij begint te zingen: ‘laudato si’, een loflied vol verwondering over heel de schepping. Over broeder zon die helemaal voor niets licht en warmte geeft. Over zuster moeder aarde die zoveel planten en bloemen doet groeien en ons voedsel schenkt. Over broeder vuur en zuster water, die ieder op hun manier leven mogelijk maken. En over broeder dood waar we maar het beste vrede mee kunnen sluiten, want dood gaan we allemaal een keer. Als hij dat loflied klaar heeft, roept hij zijn broeders en leert het hen zingen. Het zonnelied is een lied vol dankbaarheid.

Mensen zijn gevangen in geld en bezit, weet Franciscus. Daar heeft zich zijn hele leven tegen verzet. Hij weet het van toen hij nog jong was. Zijn vader was rijk geworden in de handel. Die zag zijn zoon het liefst opklimmen tot ridder. Franciscus had veel paard gereden als jonge man. Totdat die melaatse dakloze op zijn weg kwam. In een impuls sprong Franciscus van zijn paard af om de man een omhelzing te geven. De vrienden met wie hij aan het rijden was, waren geschokt: ‘Je weet toch dat je zelf ziek kunt worden als je met zulke mensen contact hebt?’ Maar Franciscus werd warm van binnen toen hij de dakloze in de ogen keek. ‘Wat je voor de minste van de mijnen hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan,’ staat er in het evangelie. En ineens wist hij wat hij wilde met zijn leven: Christus volgen.

Zijn vader werd boos: ‘Je verspilt ons geld aan die kerk van je. Stop daarmee, want zo raken we zelf nog aan de bedelstaf.’ Franciscus werd net zo boos op zijn vader: ‘Begrijp je het dan niet? Ik moet net zo arm worden als Jezus. Hier, hou je geld maar. Blijf jij maar bezitterig. Zo wil ik niet worden.’ Zo gingen Frans en zijn vader uit elkaar.

Hij moest bedelen voor zijn eten. Tijdgenoten noemden hem ‘il poverello’: het armoedzaaiertje. Maar zijn manier van leven sprak ook velen aan. Hij was zo eenvoudig, zo eerlijk. Zo ontstond de beweging van de broeders. Minderbroeders noemde Franciscus ze, ‘want,’ zei hij, ‘niemand mag zichzelf hoger achten dan een ander.’ Wij kennen ze als franciscanen.

Als je niets hebt, moet je leven van wat de mensen je willen geven, wat de natuur je wil geven. Dan word je vanzelf dankbaar. Het leven is ontvangen, niets is verdiend. Zo ging hij ook om met de natuur. Franciscus leerde de vogels om God te danken voor hun prachtige verenkleed. En toen een wolf de inwoners van het stadje Gubbio bedreigde, sprak hij zonder angst de wolf aan: ‘In Christus’ naam, stop met mensen en dieren verscheuren.’ Aan Christus ongehoorzaam zijn kon de wolf niet, hij ging aan de voeten van Franciscus liggen. Die gaf opdracht aan de bewoners van Gubbio om de wolf iedere dag te eten te geven. Zo leefde Franciscus met de dieren, dat zijn verjaardag dierendag is geworden.

De melodie die Franciscus voor het Zonnelied gekozen had, weten we niet meer. Maar veel mensen hebben er later muziek bij geschreven, daarom kunnen we het toch zingen.

Bericht auteur: Marian Geurtsen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *