Tegenwoordig mag Sint Nicolaas dan in Spanje wonen, in de vierde eeuw leefde hij in de stad Myra, in het zuid-westen van wat nu Turkije heet. En pieten? Ach, eeuwenlang heeft hij het prima in zijn eentje gered.
Nicolaas was nog jong toen zijn beide ouders overleden. Ineens was hij rijk. Maar wat moet je met zoveel geld? Delen natuurlijk, heeft Nicolaas gedacht, want delen is vermenigvuldigen, zo had hij uit het evangelie geleerd. Nu woonde in zijn omgeving een edelman die zo arm was dat hij zijn drie dochters geen bruidsschat kon geven. Dat betekende in die tijd dat ze geen toekomst hadden. ‘Och, wat erg voor die jonge vrouwen’, dacht Nicolaas. ‘Nu weet ik wat ik met mijn erfenis kan doen.’ Maar hij wilde niet dat de man of de jonge vrouwen wisten dat het van hem kwam. Stiekem verpakte hij wat gouden staven in een papier en liet deze ‘s nachts bij de arme edelman door het venster naar binnen vallen. De man kon zijn geluk niet op en organiseerde een mooie bruiloft voor zijn oudste dochter. Een tijdje later gooide Nicolaas opnieuw een pakje met goud door het raam naar binnen. En zo kon ook de tweede dochter trouwen met een man die bij haar paste. De edelman was ondertussen heel benieuwd geworden wie toch die gulle gever was. Vanaf dat moment bleef hij ‘s nachts wakker, want als er een derde pakje met goud kwam, wilde hij hem bedanken. En inderdaad: niet veel later viel er voor de derde maal een pakje met goud op de grond in huis. De man rende in het donker achter de anonieme gestalte aan. Verderop haalde de edelman hem in en herkende hem. Nicolaas bezwoer hem dat hij aan niemand mocht vertellen waar het goud vandaan kwam.
Het had geen zin. Het delen zat zo in het karakter van Nicolaas dat iedereen in de stad merkte dat ze altijd bij hem terecht konden. Ook toen hij zelf al zijn bezit had weggegeven, wist hij nog steeds uit te delen. Eens was de oogst mislukt en dreigde er hongersnood in de hele provincie. Nu hoorde Nicolaas, die inmiddels bisschop was, dat er in de haven, een paar kilometer van Myra vandaan, schepen aangemeerd waren, volgeladen met graan dat bestemd was voor de pakhuizen van de keizer. ‘Wil alsjeblieft honderd zakken graan delen met de mensen hier,’ vroeg hij de schipper. ‘Maar dat kan ik niet doen’, sputterde deze. ‘Het graan is afgewogen in Alexandrië (dat ligt in Egypte, vlakbij waar nu Caïro ligt). Als ik met minder graan bij de keizer aankom, dan kom ik in de problemen.’ ‘Ik beloof je dat de ambtenaren het niet zullen merken,’ drong Nicolaas aan. ‘Delen is vermenigvuldigen. En je kunt toch niet toekijken hoe de mensen hier doodgaan van de honger?’ Aarzelend ging de schipper overstag. Honderd zakken graan werden van boord gehaald en Nicolaas zorgde dat het eerlijk verdeeld werd over de provincie. De mensen konden weer volop brood bakken en bovendien hadden ze genoeg om zelf weer graan te zaaien. En de schipper? Toen bij de keizerlijke pakhuizen het graan opnieuw gewogen werd, was het precies evenveel als toen hij vertrok uit Alexandrië. Het leek alsof Christus zelf had aangevuld wat Nicolaas had uitgedeeld.
Nog eeuwenlang roepen jonge meisjes Sint Nicolaas aan als ze willen trouwen. Men zegt dat de pepernoten die op zijn feestdag gestrooid worden, een beetje op kleine goudklompjes lijken. En als je ze uitdeelt, dan merk je misschien zelf hoeveel meer plezier het geeft om te delen.
Zie ook: O, kom er eens kijken