Op je vrienden kun je vertrouwen. Zo hoort het toch als je vrienden bent? Maar lukt dat altijd, ook als het erop aan komt? Een hechte vriendengroep zijn ze, de twaalf vrienden van Jezus. Petrus was er altijd trots op dat Jezus hem bij de twaalf had gekozen uit al die mensen die hem volgden. Hij had er zijn hand voor in het vuur gestoken dat hij Jezus trouw zou blijven. Zei hij. Jezus wist wel beter. Hij kende Petrus beter dan deze zichzelf kende. ‘Vriend, je zult me driemaal verraden hebben nog voordat de haan kraait,’ zei Jezus hem bij die laatste keer dat samen aten. Petrus ontkende hartstochtelijk: ‘Nee, niet ik! Ik verraad je nooit!’ Maar die woorden zijn gemakkelijk gezegd als alles nog vredig is en de vijand ver weg.
Het is precies zo gegaan als Jezus het vooraf had gezegd: hij werd in de avond meegenomen door soldaten. De ondervragingen in het paleis van de hogepriester duurden de hele nacht. Natuurlijk mochten Petrus en de vrienden daar niet bij zijn. Ze drentelden wat in de buurt. Ongemakkelijk, want je wilt toch dichtbij je vriend in nood zijn, niet? Toen het even niet opviel is Petrus door de poort geglipt, de binnenplaats op van de villa van de hogepriester. Hier voelt hij zich dichterbij Jezus.
Het is nog levendig genoeg zo in de nacht: zoveel mensen lopen er over de binnenplaats van buiten naar binnen. Je ziet meteen wat voor status de mensen hebben. Vrouwen die van binnen even naar de binnenplaats komen, de een met een mand met wasgoed, de volgende met een kruik vol wijn, om weer terug naar binnen gaan. Deze slavinnen zijn gewend om niet op te kijken maar alles te zien. De mannen die langs lopen zijn anders. Die lopen doelgericht naar de deuren, in gedachten al bij degene die ze zo binnen gaan opzoeken, of in gesprek met elkaar. Ze zien hen amper, het ongeregelde groepje mensen bij het vuur. En dan zijn er de soldaten. Hetzelfde uniform als degenen die Jezus gevangen genomen hebben. Aan weerskanten bij de deuren staan er twee ontspannen wat met hun vingers te draaien. Af en toe kijken ze op maar er zijn geen gevaarlijke dingen te verwachten vanavond. En dan zijn er een paar die wat grappen zitten te maken rondom het vuur, ontspannen, wetend dat hun dienst straks pas begint. Petrus voelt zich niet op zijn gemak, als hij bij het vuur probeert te komen.
Het is gebeurd voordat Petrus er erg in heeft. Hij wordt aangesproken, hij reageert afwijzend. Dan kraait de haan. Petrus krijgt het door en door koud. Ineens herinnert hij zich Jezus’ woorden van de avond ervoor. Hij gaat op een koude steen zitten en verbergt zijn gezicht in zijn handen.
Zo is hij met zichzelf bezig dat hij niet ziet dat aan de andere kant van de binnenplaats Jezus ook zit. De soldaten zijn klaar met hem. De kroon van doornentakken staat nog op zijn hoofd. De mantel van namaak purper zakt naar de grond en onthult de striemen van de zweepslagen op zijn rug.
Later op de dag staan Petrus, Jacobus en Johannes langs de kant van de weg. Jezus sleept met dat kruis over zijn schouder naar zijn einde, de uitputting staat op zijn gezicht te lezen. Petrus ziet de vrouwen met Jezus meelopen; Maria van Magdala, aan de andere kant Maria en Salome. Dat is wat hij had willen doen, erbij zijn, hem niet in de steek laten. En dan is er die blik van Jezus, die ogen die hem aankijken: wetende ogen zijn het en toch vol mededogen. Dat is misschien wel het moeilijkste te verdragen, dat Jezus zijn vrienden wel trouw is gebleven.