Een roepende in de woestijn – Johannes de Doper

De mensen hebben geen idealen meer. Zij die genoeg hebben, wentelen zich in gemakzucht en comfort. En de mensen die niets hebben, zijn bang dat wat ze hebben hen nog wordt afgepakt.

Johannes houdt niet van school. Hij leert liever van het leven buiten. Vaak trekt hij een stukje de woestijn in om te spelen – dat is niet zo vreemd voor een kind dat in de bergen van het zuiden opgroeit: de woestijn is zijn achtertuin. Johannes heeft van zijn vader geleerd hoe je sprinkhanen kunt vangen. Hij weet dat een mantel van kamelenhuid je warm houdt in de nacht. En overdag beschermt die huid je tegen de brandende zon. Dat vindt hij veel interessanter dan boeken.

Maar er is één boek dat hij fascinerend vindt: het boek van de profeet Jesaja, die schrijft dat de leeuw en het lam samen kunnen spelen als de Messias komt. Stel je voor: dat gevaren geen gevaar meer zijn, dat iedereen veilig is. Johannes wil de mensen opschudden uit hun veilige coconnetje en het visioen van Jesaja weer wakker maken: terug naar de regels van God, dan is er rechtvaardig leven mogelijk voor iedereen.

In de uithoek die de woestijn is vindt Johannes zijn podium: ‘Bereid de weg van de Heer, maak de paden recht. Dan zullen alle mensen zien hoe God redding brengt!’ Het is het antwoord van Jesaja op de decadentie van de machthebbers: ‘Zij op hun pluche zullen ten onder gaan! God is groter dan welke koning ook. Bekeer je nu!’ Johannes houdt ervan om hel en verdoemenis te preken. En zijn boodschap vindt gehoor: een schare volgelingen laat zich door hem dopen in de Jordaan.

Op een dag staat Jezus voor hem. ‘Jij? Wil jij door mij gedoopt worden?’, vraagt Johannes aan Jezus. Ze staan bij de Jordaan. Zoals iedere dag is een menigte mensen gekomen om Johannes te horen spreken over de verdorvenheid van de machthebbers, over bekering en de nieuwe orde die Johannes voor zich ziet.

Het is lang geleden dat ze samen speelden, toen hun moeders bij elkaar op bezoek kwamen en zij als kinderen bij elkaar logeerden. Johannes kent de timmerwerkplaats in Nazareth waar Jezus opgroeide. Jezus leerde van Johannes waar je wilde honing kon vinden in de woestijn. Toen ze ouder werden, spraken ze over de profeten en hun radicale oproepen om terug te keren naar God. Nu vertelt Jezus hem over zijn veertig dagen in de woestijn, hoe hij geworsteld heeft met het kwaad, zijn roeping vond in het goede en vandaaruit wil leven. En niet voor het eerst krijgt Johannes ontzag voor zijn neef, die meer dan een zielsverwant is: ‘Ik ben nog niet goed genoeg om je sandalen los te maken,’ zegt hij. ‘Ik moet kleiner worden, en jij groter.*’ De mensen die uit bewondering voor Johannes gekomen zijn, kijken verbaasd van de een naar de ander.

‘Pfff, moraalpredikers.’ Koning Herodes haalt zijn schouders op. ‘Laat hem oppakken. Dan zullen we zien of die menigte nog steeds dapper genoeg is om te protesteren.’ Als Johannes verdwijnt in de gevangenis, neemt Jezus het preken over. Maar Jezus heeft een andere toon; hij preekt over liefde en vergeving.

Als Johannes dat hoort, gaat hij twijfelen. ‘Het ging toch om het omverwerpen van de macht?’, laat hij aan Jezus vragen. Nu laat Jezus hem berichten wat er gebeurt als hij met mensen optrekt: ‘Blinden kunnen zien, lammen kunnen weer lopen. Armen horen de blijde boodschap.’ Die woorden kent Johannes: daarmee zegt de profeet Jesaja dat de Messias is gekomen. En die Messias op wie de wereld wacht is Jezus.


* zoals na midzomer de zon moet krimpen, en na midwinter de zon weer groter moet worden.

Bericht auteur: Marian Geurtsen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *