Als het goed is zijn ouders lief voor hun kinderen. Maar heel soms hoor je wel over ouders die hun kind slaan, of opsluiten, in de kelder bijvoorbeeld. Ook de vader van Barbara is een slechte vader: hij sluit zijn dochter op. Haar moeder is gestorven toen ze klein was. Haar vader wil dat ze in alles doet wat hij zegt. Hij wil niet dat ze vrienden en vriendinnen maakt. Hij wil niet dat ze zelf haar eigen weg gaat. Hij wil zelfs niet dat ze doorleert, want als je kennis hebt, dan leer je over het leven in vrijheid. Maar Barbara vindt een uitweg. In haar droom verschijnt een vriend die steeds weer terugkomt. Hij vertelt verhalen, hij maakt haar vrolijk en haalt haar uit de zorgen. ‘Hoe heet jij?’ vraagt het meisje haar vriend. ‘Noem me maar Jezus’, antwoordt hij. En met haar vriend ontdekt ze de vrijheid van de binnenwereld.
Ondertussen geeft haar vader opdracht aan een aannemer: ‘Bouw een hoge toren voor mijn dochter,’ zegt hij. Hij geeft precies aan hoe het gebouw eruit moet zien, met een deur die alleen van buiten open kan en twee ramen bovenin de toren. Daarna gaat hij op reis. Na een tijdje ziet Barbara wat de bouwvakkers aan het bouwen zijn. ‘Waarom maken jullie twee ramen? Het moeten er drie zijn.’
‘O nee, uw vader vermoordt ons als we hem niet gehoorzamen!’ zeggen de bouwvakkers. Maar Barbara is niet bang voor haar vader. ‘Laat hem maar aan mij over; maar maak drie ramen.’
Zo gebeurt het.
Als haar vader na een lange reis terugkomt, ziet hij meteen dat de bouwvakkers zich niet aan de afspraken hebben gehouden. Maar voordat hij ze tot de orde kan roepen, zegt Barbara al tegen hem: ‘Wees niet boos op de bouwvakkers; ze hebben het voor mij gedaan. Ik wilde dat derde raam erin.’
‘Waarom?’, vraagt haar vader boos en wil haar al slaan omdat ze ongehoorzaam is geweest.
‘Nou, met twee ramen kijken de mensen zwart-wit, alsof er alleen maar een ‘ja’ en ‘nee’ bestaat. En zo krijgen ze ruzie: ze vinden dat ze zelf gelijk hebben en de ander ongelijk. Maar zo is het niet. Met drie ramen kun je zien dat er altijd een derde oog is om naar de wereld te kijken. Net zoals God ook uit drie bestaat: een Vader, een Zoon en een heilige Geest.’ Dat had ze van haar vriend Jezus gehoord.
Haar vader luistert al niet meer. Hij hoort bij mensen voor wie alles ‘zwart’ of ‘wit’ is en van praten over God wordt hij onrustig. Hij is zo boos dat hij haar wil slaan. Barbara rent de toren uit (in zijn haast heeft haar vader de deur open laten staan). Eenmaal buiten vlucht ze de bergen in. Achter zich hoort ze haar vader rennen en schelden. Net op het moment dat hij haar bijna te pakken heeft, begint Barbara te roepen naar God. ‘God, jij bent mijn andere vader; red mij van hem!’ En plotseling scheuren de bergen open. Ze kan zo naar binnen lopen en achter haar vouwt de berg weer dicht. Hier in de bergen is ze veilig en vrij. Nooit heeft ze haar vader meer gezien. Haar derde raam heeft haar gered.
Na haar dood blijft Barbara belangrijk voor iedereen die onder de grond moet werken, zoals mijnwerkers en mensen die tunnels bouwen. Daarom is Barbara populair in Limburg waar de mijnen zijn geweest. Je zou haar ook de heilige kunnen noemen tegen zwart-wit-denken: ze laat zien dat er altijd een derde weg is.