Wat is er mis met ‘De Heer heeft mij gezien’?

“Waarom is ‘De Heer heeft mij gezien’ niet opgenomen in het nieuwe Liedboek voor de Kerken? Het wordt zo graag gezongen bij ons in de gemeente”, vraagt een cantor me. Ja, het heeft iets te maken met een gevoeligheid van vrouwen, heeft hij gehoord. Dat tweede couplet ‘hij gaat ons in en uit’ is inderdaad ook wel seksueel expliciet. Maar wat is het probleem? Is het niet juist prachtig dat God meer lichamelijk wordt en dat seksualiteit positief bezongen wordt voor de liefde tussen God en mens?

Dit lied van Huub Oosterhuis ligt in het verlengde van een seksuele bruidsmystiek die oude papieren heeft in de christelijke traditie. Al in de middeleeuwen legt Bernardus van Clairvaux het Hooglied uit als een gedicht dat de mystieke liefde tussen God en mens (of de menselijke ziel) beschrijft. Een prachtig rijke mystiek van de liefde, deze uitleg. Maar wanneer je vandaag de dag nog over de liefde van God wil dichten met deze bruidsmystiek, moet je deze wel opnieuw doordenken. In de middeleeuwse uitleg van Bernardus van Clairvaux gaat deze mystieke liefde niet uit van twee gelijkwaardige geliefden. Hij kon zich niet voorstellen dat God de bruid zou zijn en de mens de bruidegom. Onmisbaar deel van de metafoor is de omkering van de mannelijke monnik die bruid wordt, die zich ontzelvigt om God te ontvangen.

Het lied van Oosterhuis continueert deze ongelijke verhouding tussen de een en de ander (de mens en de Heer). De ‘ik’ in dit lied is steeds passief, onvermogend, een bodem waarin de ander zaaien [sic] kan, een pop waarmee de ander spelen kan. De ‘hij’ / ‘gij’ in deze tekst is actief en neemt het initiatief, maar meer dan dat: de ‘hij’ / ‘gij’ is (fysiek) overweldigend zonder rekening te houden met de ander. Zo wordt actief en passief gekoppeld aan gender: degene die neemt en handelt, die zaait en speelt is mannelijk; degene die overweldigd wordt, in wie gezaaid en gewoond en geplant wordt, is ‘bruid’ dus vrouwelijk.

Dit ervaart men niet als een probleem als de persoon die dit lied zingt zelf meester over zijn eigen leven is. In dat geval verbeeldt het lied een gezonde omkering van de zelfbeschikking en opent het voor een andere werkelijkheid. Maar als die gezonde zelfbeschikking geheel of gedeeltelijk ontbreekt, zoals in de situatie van een vrouw die jarenlang door haar vader gemanipuleerd en misbruikt is, dan houdt het lied op een metafoor te zijn. Dan wordt het een pijnlijk verlengstuk van de werkelijkheid zelf. Bovenop de twijfels en de pijn die een slachtoffer van seksueel misbruik ervaart, komt dan ook nog de pijn dat God precies hetzelfde is als de dader, dat de dader gesteund wordt door God.

“Maar we kunnen toch in de liturgie niet altijd rekening houden met de pijnlijke ervaring van een enkeling?”, werpt een predikant tegen. “Dan kun je geen liturgie meer vieren.” En ja, een enkeling kan altijd pijnlijk geraakt worden. Als ongewild kinderloze moet ik nog steeds slikken bij een doopdienst (en ervaar ik het als helend wanneer dit verdriet ook benoemd wordt in een gebed). Het liturgisch jaar loopt zelden parallel aan de persoonlijke ervaring van degenen die vieren, maar als het goed is vormt de liturgie door het jaar wel een bedding om persoonlijke ervaringen te kunnen laten helen in Gods licht. Dat houdt op als in de liturgie God een verlengstuk is geworden van het onrecht.

Dit lied bevestigt en continueert problematische patronen over de ongelijke verhouding tussen man en vrouw die deel is van onze eeuwenlange culturele bagage. Het stelt dat in de relatie tussen God en mens de mens zelf geen inbreng heeft en hoeft te hebben. Maar het bevestigt ook dat God meer met mannen gemeen heeft dan met vrouwen. Dit gaat in tegen het evangelie dat stelt dat God vooral gevonden wordt in de arme, de weduwe, de wees.

Liefdespoëzie kan heel waardevol en openend zijn voor de relatie tot God. De theologie van Isabel Carter Heyward is gebaseerd op deze liefdesmystiek, op een manier die gebaseerd is op wederkerigheid en dynamiek. Lees bijvoorbeeld haar bekende werk The Redemption of God: A Theology of Mutual Relation (1982) en haar latere boek Touching our strength: the erotic as power and the love of God (1989).

Post Author: Marian Geurtsen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *