Een doekje voor het bloeden: maandverband in de Bijbel

Er was eens een filosofe, Hypatia genaamd. Haar leven is beschreven door Damascius:

Hypatia liep gewoonlijk in haar filosofenmantel door de straten van de stad en legde Plato, Aristoteles en werken van andere filosofen uit aan wie haar wilden horen. In aanvulling op haar vaardigheid in lesgeven werd ze bewonderd om haar deugdzaamheid. Ze was zowel goed als kuis en bleef altijd maagd. Ze was zo mooi van uiterlijk en gestalte dat een van haar studenten verliefd op haar werd, zichzelf niet meer in bedwang kon houden en haar openlijk een blijk van zijn liefde toonde. Ongeïnformeerde bronnen zeggen dat Hypatia hem genas van zijn kwaal met behulp van muziek. Maar de waarheid is dat het verhaal over de muziek niet klopt. In werkelijkheid verzamelde ze lappen die bevlekt waren geworden tijdens haar menstruatie en toonde deze aan hem als een teken van haar onreine status en zei: ‘Dit is waarop je verliefd bent, jongeman, en het is niet mooi!’ Hij was bij het afstotelijke gezicht zo aangedaan door schaamte en verrassing dat hij een verandering van zijn hart ervoer en als een beter man wegging. (Damascius’ Leven van Isidorus, einde 10e eeuw [vert. MG])

Dit verhaal is zeer waarschijnlijk gedramatiseerd. Maar Hypatia is een historische persoon die leefde in Alexandrië, van ca. 355 tot 415. Als dochter van een filosoof trad zij in zijn voetsporen en werd een populaire docent in Alexandrië. Zij is om het leven gekomen toen een woedende menigte van christenen haar aan haar ledematen uit elkaar trok en door de stad sleepte totdat ze dood was. Christenen, ja, want Hypatia was geen christen en haar populariteit maakte de christenen kennelijk afgunstig. Als u nu denkt ‘hé, dat verhaal komt me bekend voor’: dat kan kloppen. Waarschijnlijk heeft haar leven model gestaan voor de legendarische heilige Catharina van Alexandrië – van wie verteld wordt dat zij een groot filosofe was en in een debat van vijftig heidense filosofen wist te winnen met haar scherpzinnige argumentatie voor het christelijk geloof. Omwille van dat geloof wordt zij volgens de legende op een rad vastgemaakt, en later onthoofd. Maar ik laat de vergelijking tussen Hypatia en Catharina verder voor een andere gelegenheid.

Ik verdiep mij al enige jaren in de geschiedenis en de theologie van menstruele en seksuele onreinheid in het vroege christendom. En wat mij in dit verhaal intrigeerde is de verwijzing naar maandverband. De auteur, Damascius, beschrijft in de Suda (een 10e-eeuwse byzantijnse encyclopedie) dat Hypatia lappen, of vodden of doeken, die bevlekt waren door de menstruatie, aan de jongeman voorhield. En het middel blijkt doeltreffend om mannen op afstand te houden. Het zou in de tip-boeken voor vrouwen moeten staan: houdt altijd een gebruikte tampon in je handtas voor als je lastiggevallen wordt.

Het verhaal over Hypatia is van ver vóór het wegwerpmaandverband en roept de vraag op wat onze voormoeders eigenlijk gebruikt hebben in die maandelijkse toestand, in de tijd voor het ultradun met vleugeltjes. Ik ken de verhalen over gordeltjes uit de tijd waarin mijn moeder opgroeide. Maar dat is nog geen eeuw geleden. Wat was er voor die tijd? Hoe zijn vrouwen door de eeuwen heen eigenlijk omgegaan met hun menstruatie? Wat is eigenlijk de geschiedenis van het maandverband?

Daarin beschouw ik Damascius als een belangrijke bron. Natuurlijk moeten we dit verhaal niet lezen als een historische beschrijving. Het is niet waarschijnlijk dat Hypatia ooit echt met lappen voor de ogen van een opdringerige student heeft gezwaaid. Het is zeer de vraag of dit verhaal iets zegt over de gewoontes in de vierde eeuw. Maar zeker is dat Damascius dit verhaal opgeschreven heeft, dat hij – nota bene een man – bekend was met lappen die vrouwen gebruikten tijdens hun menstruatie en er zijn afschuw over uitsprak. Deze beschrijving uit de tiende eeuw is tot nu toe de oudste verwijzing naar maandverband die mij bekend is. Dat wil zeggen, totdat ik dergelijke lappen besmeurd met bloed tegenkwam in de bijbel.

Ik neem u mee naar een profetie van Jesaja. De context van de tekst is aldus: de mensen zijn volgens Jesaja weer volop voor de zonde gevallen. Jesaja wil de mensen daarvan doordringen en oproepen tot bekering. Al denken de mensen nog dat ze het best redelijk doen, in vergelijking met Gods goedheid zijn alle menselijke pogingen om iets goeds van het leven te maken niet meer dan smerig. Dat is de rode draad van zijn profetie. En daar gebruikt hij de volgende vergelijking voor:

Nu bent u in toorn ontstoken, omdat wij gezondigd hebben.
Hadden we maar de oude weg gevolgd, dan zouden we worden gered.
Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw.” (Jes 64, 4b-5a NBV)

Daar staat het dan in de Nieuwe Bijbelvertaling. Probeert u zich dat eens voor te stellen: het kleed van een menstruerende vrouw. Wanneer ik ongesteld ben, pleeg ik niet rond te lopen met een picknickkleed over mijn schouder geslagen. Wat bedoelt Jesaja hiermee? Laten we deze tekst eens vergelijken met andere vertalingen. De Willibrordvertaling uit 1995 bijvoorbeeld schrijft:

Wij hebben ons allemaal verontreinigd,
heel onze gerechtigheid werd als bevlekte kleren.”

In deze vertaling gaat het helemaal niet over menstruatie: hier gaat het gewoon over kleren die vuil zijn. En weer iets anders geeft de NBG uit 1951 de tekst weer:

Wij zijn allen geworden als een onreine,
al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed.”

Geen wonder dat er nooit een belletje is gaan rinkelen bij ons, vrouwen in de kerkbanken. Wij weten immers alles van bezoedelde kleren. Altijd alert op wasmiddelen die zelfs de moeilijkste vlekken uit de voetbalshirts van onze kinderen weten te wassen, zo zit het in onze genen. Maar aan maandverband heeft nog niemand gedacht. Neem dan de Willibrordvertaling uit 1975:

Allen hebben wij ons verontreinigd,
heel onze ongerechtigheid werd een stondendoek gelijk.”

Dat prachtige ouderwetse woord stonden, dat zijn we in onze tijd al bijna vergeten. Maar dat verwijst wel degelijk naar de menstruatie.

Al deze omtrekkende bewegingen van de hedendaagse vertalers maken nieuwsgierig naar wat er in het Hebreeuws staat. Meestal als vertalingen afwijken van elkaar, dan is er in de brontekst iets lastigs met de tekst. Waar gaat het om in Jesaja 64?

Wij allen zijn onrein geworden.” Voor onrein staat in het Hebreeuws het woord tamé. Dat betekent onrein, maar is niet hetzelfde als vuil door de modder. Onrein worden betekent zoveel als ‘onwaardig voor God’, ritueel verontreinigd in de betekenis van Leviticus. In Leviticus zijn er vier gebieden waar een mens onrein van kan worden. Ten eerste van eten en drinken: sommige vleessoorten gelden als onrein. Ten tweede van de dood: een mens wordt onrein wanneer hij of zij iemand begraven heeft. Ten derde huidziekten, bijvoorbeeld melaatsheid (dat in de NBV is weergegeven met het zo moderne woord ‘huidvraat’). En ten vierde seksualiteit en geboorte: je werd onrein als je seksuele gemeenschap had gehad, of als je menstrueerde, of als je een kind had gebaard. Vier domeinen van het menselijk leven, die alle vier te maken hebben met dood en leven, met ziekte en gezondheid.

Dus wanneer een kleed vuil wordt omdat het tijdens een picknick op het gras heeft gelegen, is het nog niet onrein.

Al onze gerechtigheid is als een beged iddim, staat er in het Hebreeuws. Een beged iddim, die twee woorden moeten we even nader bekijken. Beged betekent kleed. Of kleding, kleren. Vrouwen kochten in die tijd hun kleding niet bij Miss Etam: ze weefden en naaiden zelf. Ze droegen een onderkleed en een bovenkleed, een kort kleed of een lang kleed, het werd een mantel als het overal overheen geslagen werd. Vrouwen maakten die kleden anders vast rond hun lichaam dan mannen; zo onderscheidde men vrouwenkleding en mannenkleding. Een beged is dus een kleed, groot of klein, van linnen of van wol, dat voor diverse doeleinden gebruikt kon worden. Soms als een doek of lap of een deken om op te zitten, of als kleding om te dragen, of als kleed voor over een altaar in de tempel.

Het woord iddim komt in de Bijbel verder nergens voor. Uit buitenbijbelse teksten weten we dat het verwijst naar de menstruatie, in de betekenis van een regelmatig terugkerende periode: zoals de voor ons nu ouderwetse uitdrukking stonden, of in het Engels: period. Letterlijk kan dus beged iddim vertaald worden met stondenkleed, of menstruatiedoek.

Is het denkbaar dat een beged iddim, een menstruatiekleed, verwijst naar een speciale jurk die een vrouw droeg als ze ongesteld was? Kleding maken was jaren werk. Je gaat je goede kleed niet iedere maand aan de gevaren van de menstruatie blootstellen. Ik veronderstel dat ook in de bijbelse tijd menstruatie taboe was, dat je er niet over sprak en liever niet liet merken aan je buren dat het weer die tijd van de maand was, dus een jurk met rode vlekken zal niet populair geweest zijn. Bovendien hadden mensen geen kast vol kleren, zoals wij.

Om te begrijpen wat voor kleed het betrof, kunnen andere vertalingen van de Hebreeuwse tekst ons helpen: de Septuagint en de Vulgaat. Hoewel er natuurlijk een tijdsverschil is tussen de oudste Griekse vertaling en de oorspronkelijke tekst van Jesaja, is de Septuagint wel een van de oudste interpretaties van deze tekst. In deze vertaling wordt beged vertaald met het Griekse woord rakos. Het woord rakos nu betekent niet in het algemeen kleed of kledingstuk, zoals in het Hebreeuws beged. Het woord rakos wordt in het Grieks gebruikt voor een gescheurde lap, een reep stof, of algemeen voor vodden of lompen. De vertalers uit de eerste eeuw voor Christus hebben het menstruatiekleed geïnterpreteerd als een oud lapje.

De Vulgaatvertaling spreekt over pannus menstruatis: een stuk doek of een oude lap, een vod, bedoeld voor de maandstonden. In zowel de Griekse vertaling uit de eerste eeuw voor Christus als de Latijnse vertaling uit de 4e eeuw na Christus was een menstruatiekleed niet een complete jurk, maar een oud lapje dat een vrouw gebruikte om ervoor te zorgen dat haar goede kleed beschermd werd tegen bloedvlekken.

En nu komen we in de buurt van de lappen die Hypatia aan de jongeman voorhield om hem af te schrikken. Bewijzen kunnen we het niet. Maar het is aannemelijk dat vrouwen in de bijbelse tijd lapjes gebruikten tijdens de menstruatie als bescherming voor hun goede kleding. Mogelijk haalden ze die lapjes uit oude kleren die versleten waren en niet meer gedragen werden: repen stof of vodden.

Het bezoedelde kleed uit de NBG, de bevlekte kleren uit de Willibrordvertaling, het kleed van een menstruerende vrouw uit de NBV – al deze omslachtige beschrijvingen maken een stukje cultuurgeschiedenis van vrouwen onzichtbaar. Terwijl het toch aannemelijk is dat Jesaja hier een menstruatielap bedoelt, ofwel wat wij maandverband noemen.

Wat zegt het over de Nederlandse vertalers dat zij deze woorden kiezen om maandverband te vertalen? Kan het zijn dat men het onkies dacht dat de Bijbel over maandverband in zulke directe bewoordingen zou spreken? Kan het zijn dat zij te weinig kennis hebben van wat vrouwen gebruiken tijdens de menstruatie? Zelfs Damascius in de tiende eeuw was bekend met hoe vrouwen in zijn tijd de menstruatie opvingen. Of moeten we constateren dat de hedendaagse (heren?) vertalers zo zeer gewend zijn aan de reclames voor tampons en Kotex ultradun met vleugeltjes, dat zij er geen erg in hebben gehad dat zij hier een stukje cultuurgeschiedenis van vrouwen onzichtbaar hebben wegvertaald in de profetie van Jesaja?

Blijft natuurlijk dat Jesaja de vergelijking met maandverband uiterst negatief gebruikt. Geen mens wil geassocieerd worden met vuil maandverband. Ook dat is kennelijk een constante in de geschiedenis, van Jesaja tot Damascius (en niet te vergeten Esther: zie het deuterocanonieke Gebed van Esther in EstGr 8, 27 (NBV) ). Maar als spoor van een stukje cultuurgoed van vrouwen is het interessant.

 

17 april 2011
Verschenen in: Interpretatie, 2011

(afbeelding: uit de film Agora, regisseur Alejandro Amenábar, 2009)

Post Author: Marian Geurtsen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *