De zijdeuren van de kerk

‘Wat trekt jou toch altijd in die oude heiligenverhalen?’ vroeg laatst iemand aan mij.

Verhalen zijn als huizen, hoorde ik een verteller ooit zeggen. Verhalen hebben niet één, maar verschillende ingangen. De ene mens gaat een verhaal in door de voordeur, wordt geboeid door de hoofdlijn. Een ander heeft de weg gevonden via een achterdeur, via een personage dat dichtbij komt. Een derde komt het verhaal binnen via een zolderraam, een onbeduidend motief dat een ander niet eens gehoord heeft.

Zo is het ook met de mensen in de kerk. Wie door de voordeur binnen komt, ziet meestal als eerste het altaar: Christus staat centraal. In de afgelopen eeuw is steeds meer nadruk gelegd op deze entree. De Liturgische Beweging van de twintigste eeuw stelde het paasmysterie centraal. Maar hoe zou het hart van het geloof dat voor iedere gelovige bijna niet te vatten is, meteen toegankelijk kunnen zijn voor mensen die nieuw zijn in de kerk? En is het erg als dat niet zo is?

In het verhaal van God is Christus de hoofdpersoon. Maar sommige mensen worden eerder aangesproken door het karakter van Petrus. Of herkennen zich in de ontmoeting tussen Jezus en Maria Magdalena. Of blijven hangen bij Franciscus, die radicale armoedzaaier die met de vogels kon praten. Zij stappen de kerk binnen via de zijdeuren.

Zo’n zijingang kan bijvoorbeeld een reis naar Santiago zijn. Weinig mensen die naar Santiago zijn gelopen heb ik horen zeggen dat ze dat doen omdat ze hun geloof willen verdiepen. Maar door te gaan, door stap voor stap, dag voor dag de weg te gaan die anderen in de eeuwen vóór hen zijn gegaan, wordt de reiziger vanzelf pelgrim. Vraag niet of hij God heeft gevonden. Maar wie naar Santiago is gegaan, komt er als een ander mens weer vandaan. God heeft hem gevonden, in de pelgrimsrituelen en in de verhalen over Sint-Jacobus.

Het verhaal van een heilige raakt aan het verhaal van mensen die kampen met vragen in hun leven.

Mensen maken verhalen van de gebeurtenissen in hun leven. Dat werkt helend, net als je eigen verhaal herkennen in verhalen van anderen. Toen ik voor het eerst een miskraam kreeg, voelde ik mij overspoeld door de grootheid van het gebeuren. Door erover te vertellen, ontstond er ruimte tussen mij en de gebeurtenis. Hoe vaker ik kon vertellen wat er gebeurd was, hoe meer de gebeurtenis een verhaal werd. Ik viel er niet mee samen. Zo leerde ik ermee omgaan: de chaos overspoelde me niet langer. Ik kon mijn houding ertegenover bepalen. Ik kon het verhaal aanpassen, zodat het voor mij draaglijk werd. Ik kon mijn vragen stellen aan het verhaal, soms ook antwoorden toevoegen. Zo gaf het verhaal mij kracht om weer verder te gaan.

Verhalen vertellen aan mensen die hetzelfde meegemaakt hebben, is dubbel helend, want je erkent tegelijkertijd wat jou zelf is overkomen en wat de ander heeft meegemaakt. De vragen die de één stelt, de woorden die de ander gevonden heeft, helpen je misschien om je eigen verhaal weer verder te vertellen als het gestokt is. Het verhaal van een heilige kan helpen om het verhaal van mensen los te maken, in een perspectief te zetten, en uiteindelijk te helen. Zo zijn verhalen van heiligen een brug tussen de verhalen van mensen en het Verhaal van God.

Onze taak als pastor, als theoloog, is niet om de mensen te vertellen over Christus. Onze taak is het om de deuren van de kerk open te houden. Hoe meer deuren wij open houden, hoe meer mogelijkheden we anderen aanreiken om aangeraakt te worden door het Verhaal van God met de mensen.

Post Author: Marian Geurtsen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *